stadion
zelfstandig naamwoordBetekenis
- groot complex voorzien van sportvelden, tribunes en bijbehorende nutsvoorzieningen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stadionnetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stadionnetjes | verkleinwoord, meervoud |
| stadions | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘sportterrein’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1920
Woordfamilie van stadion
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stadionnetje | verkleinwoord | stadion |
| stadionnetjes | verkleinwoord meervoud | stadion |
| stadions | meervoud | stadion |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stadion zijn vastgelegd.