spring
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- springtij, springvloed
- tros die wordt uitgebracht in een richting tegen die van een landvast in, om het doorschieten van een schip te voorkomen
- bron
- lente
- veer
- ontspringen, ontspruiten, ontstaan.
- springen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van springen
- gebiedende wijs van springen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van springen
Vervoeging van spring
springhele werkwoord