sprankelen
werkwoordBetekenis
- korte heldere lichtflitsjes voortbrengen door weerkaatsing of door vonkjes
- overdrachtelijk een schitterende rol spelen, bruisend leven
Vervoeging van sprankelen
sprankelenhele werkwoord — sprankeldeverleden tijd enkelvoud — sprankeldenverleden tijd meervoud — gesprankeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sprankel | sprankelde |
| jij | sprankelt | sprankelde |
| hij, zij, het | sprankelt | sprankelde |
| wij | sprankelen | sprankelden |
| jullie | sprankelen | sprankelden |
| zij | sprankelen | sprankelden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesprankeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesprankeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesprankeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesprankeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesprankeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesprankeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesprankeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesprankeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesprankeld | verleden tijd, deelwoord |
| gesprankeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesprankeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesprankeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesprankeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesprankeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesprankeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesprankeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesprankeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesprankeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesprankeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesprankeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sprankel | gebiedende wijs |
| sprankelde | verleden tijd |
| sprankele | aanvoegende wijs |
| sprankelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesprankeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sprankelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sprankelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesprankeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sprankelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesprankeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sprankelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘fonkelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1808
Woordfamilie van sprankelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesprankeld | voltooid deelwoord | sprankelen |
| sprankel | gebiedende wijs | sprankelen |
| sprankelde | verleden tijd | sprankelen |
| sprankelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sprankelen |
| sprankele | aanvoegende wijs | sprankelen |
| sprankelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sprankelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sprankelen zijn vastgelegd.