spiraal
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een kromme lijn die zich om een punt heen slingert en zich steeds meer daarvan verwijdert
- lijn of voorwerp waarvan de windingen een cilinder (schroef) of een kegel beschrijven
- bepaald type bedbodem van in elkaar gevlochten stalen veren
- bepaald voorbehoedmiddel (meestal spiraaltje genoemd)
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een kromme lijn die zich om een punt heen slingert en en dat punt steeds dichter benadert
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spiraaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spiraaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| spiralen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spiralen
- gebiedende wijs van spiralen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spiralen
Vervoeging van spiraal
spiraalhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘krullijn, schroeflijn’ voor het eerst aangetroffen in 1872
Woordfamilie van spiraal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| spiraaltje | verkleinwoord | spiraal |
| spiraaltjes | verkleinwoord meervoud | spiraal |
| spiralen | meervoud | spiraal |
| gespiraald | woordvorm | spiralen |
| spiraalde | woordvorm | spiralen |
| spiraalden | woordvorm | spiralen |
| spiraalt | woordvorm | spiralen |
| spirale | woordvorm | spiralen |
| spiralend | woordvorm | spiralen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van spiraal zijn vastgelegd.