smout
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- (België) reuzel: afgesmolten buikvet van het varken, gebruikt als broodbeleg, om te braden of als smeermiddel
- smoutwerk: klein drukwerk
zelfstandig naamwoord — masculine
- reuzel: afgesmolten buikvet van het varken, gebruikt als broodbeleg, om te braden of als smeermiddel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| smoutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| smoutjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van smouten
- gebiedende wijs van smouten
Vervoeging van smout
smouthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘smeer, gesmolten reuzel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1140.
Woordfamilie van smout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| smoutje | verkleinwoord | smout |
| smoutjes | verkleinwoord meervoud | smout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smout zijn vastgelegd.