smachten
werkwoordBetekenis
- ~ naar een bijzonder sterk verlangen hebben naar iets dat men ontbeert
Vervoeging van smachten
smachtenhele werkwoord — smachtteverleden tijd enkelvoud — smachttenverleden tijd meervoud — gesmachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | smacht | smachtte |
| jij | smacht | smachtte |
| hij, zij, het | smacht | smachtte |
| wij | smachten | smachtten |
| jullie | smachten | smachtten |
| zij | smachten | smachtten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gesmacht | verleden tijd, deelwoord |
| gesmacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesmacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesmacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesmacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesmacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesmacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesmacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesmacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesmacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesmacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| smacht | gebiedende wijs |
| smachte | aanvoegende wijs |
| smachtend | onvoltooid, deelwoord |
| smachtte | verleden tijd |
| te hebben gesmacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te smachten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen smachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesmacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt smachten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen smachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesmacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult smachten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘kwijnen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van smachten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesmacht | voltooid deelwoord | smachten |
| smachte | aanvoegende wijs | smachten |
| smachtte | verleden tijd | smachten |
| smachtten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | smachten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van smachten zijn vastgelegd.