slungel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- Lange magere jongen, klungel, opgeschoten jongen.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slungels | meervoud |
| slungeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| slungeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slungelen
- gebiedende wijs van slungelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slungelen
Vervoeging van slungel
slungelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘lange jongen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1785
Woordfamilie van slungel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slungels | meervoud | slungel |
| slungeltje | verkleinwoord | slungel |
| slungeltjes | verkleinwoord meervoud | slungel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slungel zijn vastgelegd.