slachtoffer
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈslɑxtɔfərBetekenis
- een dier dat (of mens die) gedood wordt als offer voor een godheid
- iets of iemand die zonder eigen schuld kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
- in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
Hoe spreek je slachtoffer uit?
/ˈslɑxtɔfər/
Slachtoffer bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slachtoffers | meervoud |
| slachtoffertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| slachtoffertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slachtofferen
- gebiedende wijs van slachtofferen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slachtofferen
Vervoeging van slachtoffer
slachtofferhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘iem. die het offer is van de belangen van een ander’ voor het eerst aangetroffen in 1556
Woordfamilie van slachtoffer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slachtoffers | meervoud | slachtoffer |
| slachtoffertje | verkleinwoord | slachtoffer |
| slachtoffertjes | verkleinwoord meervoud | slachtoffer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slachtoffer zijn vastgelegd.