singel
zelfstandig naamwoord /ˈsɪŋəl/Betekenis
- gracht om het centrum van een stad
- een weg die om het centrum van de stad loopt
- een rij bomen met kreupelhout
- een brede band om de buik van een paard
- koord dat een priester die de misdienende priester draagt
- draagband onder de zitting van een stoel
Hoe spreek je singel uit?
/ˈsɪŋəl/
Singel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| singels | meervoud |
| singeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| singeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘(weg langs de buitenzijde van een) stadsgracht’ voor het eerst aangetroffen in 1271
Woordfamilie van singel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| singels | meervoud | singel |
| singeltje | verkleinwoord | singel |
| singeltjes | verkleinwoord meervoud | singel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van singel zijn vastgelegd.