sidderen
werkwoordBetekenis
- van angst beven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van sidderen
sidderenhele werkwoord — sidderdeverleden tijd enkelvoud — sidderdenverleden tijd meervoud — gesidderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sidder | sidderde |
| jij | siddert | sidderde |
| hij, zij, het | siddert | sidderde |
| wij | sidderen | sidderden |
| jullie | sidderen | sidderden |
| zij | sidderen | sidderden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesidderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesidderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesidderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesidderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesidderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesidderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesidderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesidderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesidderd | verleden tijd, deelwoord |
| gesidderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesidderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesidderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesidderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesidderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesidderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesidderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesidderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesidderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesidderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesidderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sidder | gebiedende wijs |
| sidderde | verleden tijd |
| siddere | aanvoegende wijs |
| sidderend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesidderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te sidderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen sidderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesidderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen sidderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesidderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult sidderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘trillen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477
Woordfamilie van sidderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesidderd | voltooid deelwoord | sidderen |
| sidder | gebiedende wijs | sidderen |
| sidderde | verleden tijd | sidderen |
| sidderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | sidderen |
| siddere | aanvoegende wijs | sidderen |
| siddert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | sidderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sidderen zijn vastgelegd.