shot
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- foto- of filmopname
- dosis van een medicijn of drug die men via een injectie krijgt toegediend
- kleine hoeveelheid sterke drank die in één keer achterover geslagen kan worden
- schot
- borrel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| shotje | verkleinwoord, enkelvoud |
| shotjes | verkleinwoord, meervoud |
| shots | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van shotten
- gebiedende wijs van shotten
Vervoeging van shot
shothele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘injectie van drugs’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1968
Woordfamilie van shot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| shotje | verkleinwoord | shot |
| shotjes | verkleinwoord meervoud | shot |
| shots | meervoud | shot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van shot zijn vastgelegd.