shampoo
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈʃɑmpoBetekenis
- product, meestal in vloeibare vorm, dat bedoeld is om het haar te wassen
- haarwasmiddel
- wasbeurt met shampoo
- champagne
- met shampoo wassen, shampooën
Hoe spreek je shampoo uit?
/ˈʃɑmpo/
Shampoo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| ɑ | bad |
| m | maan |
| p | pak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| shampoos | meervoud |
| shampootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| shampootjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shampooën
- gebiedende wijs van shampooën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shampooën
Vervoeging van shampoo
shampoohele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘haarwasmiddel’ voor het eerst aangetroffen in 1950
Woordfamilie van shampoo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| shampoos | meervoud | shampoo |
| shampootje | verkleinwoord | shampoo |
| shampootjes | verkleinwoord meervoud | shampoo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van shampoo zijn vastgelegd.