schulp
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- schelp
- in je schulp kruipen : verlegen worden
- iemand uit zijn schulp lokken : zorgen dat iemand minder verlegen (of voorzichtig) wordt
- uit je schulp kruipen : jezelf openen opstellen, minder verlegen zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schulpen | meervoud |
| schulpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schulpjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schulpen
- gebiedende wijs van schulpen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schulpen
Vervoeging van schulp
schulphele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schaal van weekdier’ voor het eerst aangetroffen in 1351
Woordfamilie van schulp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schulpje | verkleinwoord | schulp |
| schulpjes | verkleinwoord meervoud | schulp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schulp zijn vastgelegd.