schuin
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- in een niet-loodrechte richting
- betrekking hebbend op seks
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schuine | verbogen, stellende trap |
| schuiner | onverbogen, vergrotende trap |
| schuinere | verbogen, vergrotende trap |
| schuiners | partitief, vergrotende trap |
| schuins | partitief, stellende trap |
| schuinst | onverbogen, overtreffende trap |
| schuinste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuinen
- gebiedende wijs van schuinen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuinen
Vervoeging van schuin
schuinhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘scheef’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van schuin
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schuiner | vergrotende trap | schuin |
| schuinere | verbogen vergrotende trap | schuin |
| schuiners | partitieve vergrotende trap | schuin |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schuin zijn vastgelegd.