Naar de inhoud

schudden

snel heen en weer bewegen om iets te mengen

schudden is meer dan één woord

schudden

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsxʏdə(n)

Betekenis

  1. snel heen en weer bewegen om iets te mengen

Hoe spreek je schudden uit?

/ˈsxʏdən/

Schudden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxʏdən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
ʏ put
d dak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een schuddende beweging maken intransitive
  2. heen en weer bewegen van het hoofd als teken van instemming (van boven naar beneden) of ontkenning (van links naar rechts) intransitive
  3. de kaarten volledig door elkaar husselen ten behoeve van de spelregels (bijv. aan het begin van elke nieuwe ronde) transitive

Vervoeging van schudden

schuddenhele werkwoord — schuddeverleden tijd enkelvoud — geschudvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schud schudde
jij schudt schudde
hij, zij, het schudt schudde
wij schudden —
jullie schudden —
zij schudden —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geschud verleden tijd, deelwoord
geschud te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschud zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schud gebiedende wijs
schudde verleden tijd
schudde aanvoegende wijs
schuddend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schudden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van schudden

Vervoeging van schudden

schuddenhele werkwoord — schuddeverleden tijd enkelvoud — geschudvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schud schudde
jij schudt schudde
hij, zij, het schudt schudde
wij schudden —
jullie schudden —
zij schudden —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
geschud verleden tijd, deelwoord
geschud te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschud zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschud voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschud voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschud voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschud voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschud voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschud voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schud gebiedende wijs
schudde verleden tijd
schudde aanvoegende wijs
schuddend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschud actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schudden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschud hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schudden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschud hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschud hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schudden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschud hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schudden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schudde

Herkomst

In de betekenis van ‘heen en weer bewegen’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van schudden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschud voltooid deelwoord schudden
geschudde woordvorm schudden
schud gebiedende wijs schudden
schudt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schudden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schudden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over schudden

Hoe spreek ik schudden uit?
Zo spreek je schudden uit: /ˈsxʏdə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van schudden?
Schudden is een werkwoord. De betekenis is: snel heen en weer bewegen om iets te mengen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik schudden?
Zo vervoeg je schudden zo: de tegenwoordige tijd is schud, de verleden tijd is schudde en het voltooid deelwoord is geschud. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schudden is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. U 4
  5. D 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schudden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. U 2
  5. D 2
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schudden in het kort

schudden is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van schudden staan er 30 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schudden bij een woordfamilie van 4 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schudden: snel heen en weer bewegen om iets te mengen
Deel schudden — standaardnederlands.nl