schrijnen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- branderig aanvoelen
Vervoeging van schrijnen
schrijnenhele werkwoord — schrijndeverleden tijd enkelvoud — schrijndenverleden tijd meervoud — geschrijndvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrijn | schrijnde |
| jij | schrijnt | schrijnde |
| hij, zij, het | schrijnt | schrijnde |
| wij | schrijnen | schrijnden |
| jullie | schrijnen | schrijnden |
| zij | schrijnen | schrijnden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geschrijnd | verleden tijd, deelwoord |
| geschrijnd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geschrijnd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geschrijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geschrijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geschrijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geschrijnd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geschrijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geschrijnd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geschrijnd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschrijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geschrijnd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schrijn | gebiedende wijs |
| schrijnde | verleden tijd |
| schrijne | aanvoegende wijs |
| schrijnend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geschrijnd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te schrijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen schrijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geschrijnd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen schrijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geschrijnd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult schrijnen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schrijn
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘pijnlijk zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1648
Woordfamilie van schrijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geschrijnd | voltooid deelwoord | schrijnen |
| schrijnde | verleden tijd | schrijnen |
| schrijnden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | schrijnen |
| schrijne | aanvoegende wijs | schrijnen |
| schrijnt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | schrijnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schrijnen zijn vastgelegd.