schram
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- oppervlakkige beschadiging van de huid door een ongeval
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schrammen | meervoud |
| schrammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schrammetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrammen
- gebiedende wijs van schrammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrammen
Vervoeging van schram
schramhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kras’ voor het eerst aangetroffen in 1342
Woordfamilie van schram
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schrammetje | verkleinwoord | schram |
| schrammetjes | verkleinwoord meervoud | schram |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schram zijn vastgelegd.