schommel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje
- een corpulent vrouwpersoon
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een hangend speeltuig bestaande uit touw en een zitje, vooral gebruikt in kinderspeeltuinen
- een corpulent iemand, meestal van het vrouwelijk geslacht pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schommels | meervoud |
| schommeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schommeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schommelen
- gebiedende wijs van schommelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schommelen
Vervoeging van schommel
schommelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘opgehangen speeltuig waarop men heen en weer kan gaan’ voor het eerst aangetroffen in 1714
Woordfamilie van schommel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schommels | meervoud | schommel |
| schommeltje | verkleinwoord | schommel |
| schommeltjes | verkleinwoord meervoud | schommel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schommel zijn vastgelegd.