schielijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- verouderend: plotseling
- haastig
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schielijke | verbogen, stellende trap |
| schielijker | onverbogen, vergrotende trap |
| schielijkere | verbogen, vergrotende trap |
| schielijkers | partitief, vergrotende trap |
| schielijks | partitief, stellende trap |
| schielijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| schielijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘haastig’ voor het eerst aangetroffen in 1475
Woordfamilie van schielijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schielijke | verbogen vorm | schielijk |
| schielijker | vergrotende trap | schielijk |
| schielijkere | verbogen vergrotende trap | schielijk |
| schielijkers | partitieve vergrotende trap | schielijk |
| schielijks | partitive, positive | schielijk |
| schielijkst | uninflected, superlative | schielijk |
| schielijkste | inflected, superlative | schielijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schielijk zijn vastgelegd.