sauna
zelfstandig naamwoord, werkwoord /'saʊna/Betekenis
- een ruimte waarvan de temperatuur verhoogd wordt, zodat het lichaam begint te zweten (een zweetbad)
Hoe spreek je sauna uit?
/ˈsaʊna/
Sauna bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| a | maan |
| ʊ | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sauna's | meervoud |
| saunaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| saunaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van saunaën
- gebiedende wijs van saunaën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van saunaën
Vervoeging van sauna
saunahele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Fins, in de betekenis van ‘stoombad’ voor het eerst aangetroffen in 1951
Woordfamilie van sauna
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sauna's | meervoud | sauna |
| saunaatje | verkleinwoord | sauna |
| saunaatjes | verkleinwoord meervoud | sauna |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sauna zijn vastgelegd.