sandwich
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈsɑntwɪtʃ/Betekenis
- twee sneetjes brood met beleg ertussen
- Belgisch bakkerijproduct
- tijdens een geslachtsgemeenschap voor drieën ingenomen positie, waarbij de betreffende persoon tussen de twee anderen in ligt
- situatie waarbij men klem zit
Hoe spreek je sandwich uit?
/ˈsɑntwɪtʃ/
Sandwich bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| t | tak |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| ʃ | sjaal |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sandwiches | meervoud |
| sandwichje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sandwichjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sandwichen
- gebiedende wijs van sandwichen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sandwichen
Vervoeging van sandwich
sandwichhele werkwoord
Herkomst
van Engels sandwich, een eponiem genoemd naar een graaf van Sandwich die belegde sneetjes brood gebruikte om het kaartspelen niet te hoeven onderbreken voor een maaltijd, in de betekenis van ‘twee sneetjes brood met beleg’ voor het eerst aangetroffen in 1910
Woordfamilie van sandwich
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sandwiches | meervoud | sandwich |
| sandwichje | verkleinwoord | sandwich |
| sandwichjes | verkleinwoord meervoud | sandwich |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sandwich zijn vastgelegd.