samenwerken
werkwoordBetekenis
- ~ met met een of meer aan hetzelfde werken
Vervoeging van samenwerken
samenwerkenhele werkwoord — werkte samenverleden tijd enkelvoud — werkten samenverleden tijd meervoud — samengewerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werk samen | werkte samen |
| jij | werkt samen | werkte samen |
| hij, zij, het | werkt samen | werkte samen |
| wij | werken samen | werkten samen |
| jullie | werken samen | werkten samen |
| zij | werken samen | werkten samen |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is samengewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was samengewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd samengewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt samengewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal samengewerkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal samengewerkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou samengewerkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou samengewerkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| samen te werken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal werken | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou werken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden werken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt werken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen werken | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult werken | bijzin, toekomende tijd |
| samengewerkt | verleden tijd, deelwoord |
| samengewerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengewerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenwerk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenwerkend | onvoltooid, deelwoord |
| samenwerkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenwerkte | bijzin, verleden tijd |
| samenwerkten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben samengewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| werk samen | gebiedende wijs |
| werkte samen | verleden tijd |
| zal samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zou samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenwerken samen zou(dt) werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenwerken samen zult/zal werken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen en werken
Woordfamilie van samenwerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samengewerkt | voltooid deelwoord | samenwerken |
| samenwerk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenwerken |
| samenwerke | with-subordinate-clause | samenwerken |
| samenwerkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenwerken |
| samenwerkte | subordinate-clause, verleden tijd | samenwerken |
| samenwerkten | subordinate-clause, verleden tijd | samenwerken |
| werk samen | gebiedende wijs | samenwerken |
| werke samen | woordvorm | samenwerken |
| werken samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenwerken |
| werkt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenwerken |
| werkte samen | verleden tijd | samenwerken |
| werkten samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenwerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenwerken zijn vastgelegd.