samenscholing
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het samenscholen
- de samengeschoolde menigte
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| samenscholingen | meervoud |
| samenscholinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| samenscholinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van samenscholen met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van samenscholing
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| samenscholingen | meervoud | samenscholing |
| samenscholinkje | verkleinwoord | samenscholing |
| samenscholinkjes | verkleinwoord meervoud | samenscholing |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenscholing zijn vastgelegd.