Naar de inhoud

samenhangen

in onderling verband met elkaar staan

samenhangen is meer dan één woord

samenhangen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈsamənˌhaŋə(n)

Betekenis

  1. in onderling verband met elkaar staan

Hoe spreek je samenhangen uit?

/ˈsamənˌhaŋən/

Samenhangen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsamənˌhaŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
a maan
m maan
ə de
n nek
h hoed
ŋ ding
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van samenhangen

samenhangenhele werkwoord — hing samenverleden tijd enkelvoud — hingen samenverleden tijd meervoud — samengehangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hang samen hing samen
jij hangt samen hing samen
hij, zij, het hangt samen hing samen
wij hangen samen hingen samen
jullie hangen samen hingen samen
zij hangen samen hingen samen
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had samengehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had samengehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had samengehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden samengehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden samengehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden samengehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt samengehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hang samen gebiedende wijs
heb samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft samengehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hing samen verleden tijd
samen te hangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
samen te zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
samen zal hangen bijzin, toekomende tijd
samen zou hangen bijzin, voorwaardelijk
samen zouden hangen bijzin, voorwaardelijk
samen zoudt hangen bijzin, voorwaardelijk
samen zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
samen zullen hangen bijzin, toekomende tijd
samen zult hangen bijzin, toekomende tijd
samengehangen verleden tijd, deelwoord
samengehangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
samengehangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
samenhang bijzin, tegenwoordige tijd
samenhangend onvoltooid, deelwoord
samenhangt bijzin, tegenwoordige tijd
samenhing bijzin, verleden tijd
samenhingen bijzin, verleden tijd
samenhingt bijzin, verleden tijd
te hebben samengehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen samenhangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal samenhangen bijzin, toekomende tijd
zou samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou samenhangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) samenhangen samen zou(dt) hangen bijzin, voorwaardelijk
zouden samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden samenhangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt samengehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt samenhangen bijzin, voorwaardelijk
zullen samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen samenhangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen samenhangen bijzin, toekomende tijd
zult samengehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult samenhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult samenhangen bijzin, toekomende tijd
zult/zal samenhangen samen zult/zal hangen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord samenhang

Herkomst

samenstelling van samen en hangen ww

Woordfamilie van samenhangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hang samen gebiedende wijs samenhangen
hange samen woordvorm samenhangen
hangen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon samenhangen
hangt samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon samenhangen
hing samen verleden tijd samenhangen
hingen samen aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon samenhangen
samengehangen voltooid deelwoord samenhangen
samenhange with-subordinate-clause samenhangen
samenhangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd samenhangen
samenhing subordinate-clause, verleden tijd samenhangen
samenhingen subordinate-clause, verleden tijd samenhangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenhangen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over samenhangen

Hoe spreek je samenhangen uit?
De uitspraak van samenhangen is: /ˈsamənˌhaŋə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent samenhangen?
Samenhangen is een werkwoord. Het woord betekent: in onderling verband met elkaar staan.
Hoe vervoeg je samenhangen?
Je vervoegt samenhangen als volgt: het voltooid deelwoord is samengehangen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord samenhangen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. H 4
  7. A 1
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

samenhangen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. A 1
  3. M 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. H 4
  7. A 1
  8. N 1
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (H) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

samenhangen in het kort

samenhangen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van samenhangen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort samenhangen bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

samenhangen: in onderling verband met elkaar staan
Deel samenhangen — standaardnederlands.nl