sabel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsabəlBetekenis
- een slag- en steekwapen, van oudsher in gebruik bij de cavallerie, nu onder meer gebruikt in de schermsport
- een werktuig voor het bewerken van stenen
- bont van de sabelmarter
- de kleur zwart
- buik
Hoe spreek je sabel uit?
/ˈsabəl/
Sabel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| a | maan |
| b | bak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sabels | enkelvoud |
| sabeltje | verkleinwoord |
| sabeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sabelen
- gebiedende wijs van sabelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sabelen
Vervoeging van sabel
sabelhele werkwoord
Woordfamilie van sabel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sabels | enkelvoud | sabel |
| sabeltje | verkleinwoord | sabel |
| sabeltjes | verkleinwoord | sabel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sabel zijn vastgelegd.