run
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- plotselinge toeloop, stormloop
- (sport) punt bij cricket en honkbal
- fijngemalen eikenschors voor het looien van leer
- loop, tocht
- rennen
- beheren, besturen
zelfstandig naamwoord — masculine
- punt bij cricket en honkbal
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| runs | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van runnen
- gebiedende wijs van runnen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van runnen
Vervoeging van run
runhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stormloop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1889
Woordfamilie van run
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| runs | meervoud | run |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van run zijn vastgelegd.