rugstuk
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een grote tatoeage op de rug van een persoon
- deel van een harnas dat de rug bedekt
- rugzijde van kleding
- deel van een kerkorgel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rugstukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rugstukjes | verkleinwoord, meervoud |
| rugstukken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van rug zn en stuk zn
Woordfamilie van rugstuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rugstukje | verkleinwoord | rugstuk |
| rugstukjes | verkleinwoord meervoud | rugstuk |
| rugstukken | meervoud | rugstuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rugstuk zijn vastgelegd.