resteren
werkwoord /rɛstɪːrə(n)/Betekenis
- ~ van: ergens van overblijven
Hoe spreek je resteren uit?
/rɛstɪrən/
Resteren bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛ | bed |
| s | sok |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van resteren
resterenhele werkwoord — resteerdeverleden tijd enkelvoud — resteerdenverleden tijd meervoud — geresteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | resteer | resteerde |
| jij | resteert | resteerde |
| hij, zij, het | resteert | resteerde |
| wij | resteren | resteerden |
| jullie | resteren | resteerden |
| zij | resteren | resteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geresteerd | verleden tijd, deelwoord |
| geresteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geresteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geresteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geresteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geresteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geresteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geresteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geresteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geresteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geresteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geresteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| resteer | gebiedende wijs |
| resteerde | verleden tijd |
| restere | aanvoegende wijs |
| resterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geresteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te resteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen resteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geresteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt resteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen resteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geresteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult resteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overblijven’ voor het eerst aangetroffen in 1503
Woordfamilie van resteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geresteerd | voltooid deelwoord | resteren |
| resteer | gebiedende wijs | resteren |
| resteerde | verleden tijd | resteren |
| resteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | resteren |
| resteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | resteren |
| restere | aanvoegende wijs | resteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van resteren zijn vastgelegd.