Naar de inhoud

relativeren

iets minder absoluut maken door het in een bepaalde context te plaatsen

relativeren

werkwoord

Betekenis

  1. iets minder absoluut maken door het in een bepaalde context te plaatsen

Vervoeging van relativeren

relativerenhele werkwoord — relativeerdeverleden tijd enkelvoud — relativeerdenverleden tijd meervoud — gerelativeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik relativeer relativeerde
jij relativeert relativeerde
hij, zij, het relativeert relativeerde
wij relativeren relativeerden
jullie relativeren relativeerden
zij relativeren relativeerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gerelativeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerelativeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerelativeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerelativeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerelativeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerelativeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerelativeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerelativeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerelativeerd verleden tijd, deelwoord
gerelativeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerelativeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gerelativeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerelativeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerelativeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerelativeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerelativeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gerelativeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerelativeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gerelativeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerelativeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerelativeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerelativeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerelativeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerelativeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerelativeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerelativeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerelativeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
relativeer gebiedende wijs
relativeerde verleden tijd
relativere aanvoegende wijs
relativerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerelativeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te relativeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen relativeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gerelativeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerelativeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gerelativeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gerelativeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gerelativeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gerelativeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gerelativeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gerelativeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gerelativeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerelativeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gerelativeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerelativeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gerelativeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt relativeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gerelativeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerelativeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerelativeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen relativeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerelativeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerelativeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gerelativeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult relativeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘de betrekkelijkheid erkennen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1923

Woordfamilie van relativeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerelativeerd voltooid deelwoord relativeren
gerelativeerde woordvorm relativeren
relativeer gebiedende wijs relativeren
relativeerde verleden tijd relativeren
relativeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon relativeren
relativeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon relativeren
relativere aanvoegende wijs relativeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van relativeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over relativeren

Wat is de betekenis van relativeren?
Relativeren is een werkwoord. De betekenis is: iets minder absoluut maken door het in een bepaalde context te plaatsen.
Hoe vervoeg ik relativeren?
Zo vervoeg je relativeren zo: de tegenwoordige tijd is relativeer, de verleden tijd is relativeerde en het voltooid deelwoord is gerelativeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord relativeren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. I 1
  7. V 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

relativeren levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. L 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. I 2
  7. V 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 zonder bonus
  13. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

relativeren in het kort

relativeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van relativeren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort relativeren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

relativeren: iets minder absoluut maken door het in een bepaalde context te plaatsen
Deel relativeren — standaardnederlands.nl