register
zelfstandig naamwoord rəˈɣɪstərBetekenis
- voortdurend bijgehouden lijst met gegevens over personen of zaken (b.v. bij een kadaster), bestand
- inhoudsopgave, index
- een serie orgelpijpen in een pijporgel met dezelfde klankkleur, orgelregister
- o.a. deel van de toonomvang van een instrument of stem, stemregister
- stilistische variatie gebonden aan een bepaalde situatie (stijlregister, taalregister)
- een rij van MS-elementen waarin de belangrijkste operaties van een computer plaatsvinden zoals optellen, vermenigvuldigen etc. (o.a. schuifregister)
- inschrijven, registreren
- zich (laten) inschrijven/registreren
- (alle bet.)
- registratie
Hoe spreek je register uit?
/rəˈxɪstər/
Register bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ə | de |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| registers | meervoud |
| registertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| registertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands register, in de betekenis van ‘lijst’ voor het eerst aangetroffen in 1397; via Frans registre of direct via middeleeuws Latijn registrum, van het laat Latijn regesta “lijst”, gevormd uit regerere “opnemen, dragen”, van re- “her-”+ gerere “dragen”
Woordfamilie van register
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| registers | meervoud | register |
| registertje | verkleinwoord | register |
| registertjes | verkleinwoord meervoud | register |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van register zijn vastgelegd.