rechtvaardig
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- in overeenstemming met bepaalde ethische beginselen
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rechtvaardige | verbogen, stellende trap |
| rechtvaardiger | onverbogen, vergrotende trap |
| rechtvaardigere | verbogen, vergrotende trap |
| rechtvaardigers | partitief, vergrotende trap |
| rechtvaardigs | partitief, stellende trap |
| rechtvaardigst | onverbogen, overtreffende trap |
| rechtvaardigste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rechtvaardigen
- gebiedende wijs van rechtvaardigen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rechtvaardigen
Vervoeging van rechtvaardig
rechtvaardighele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘handelend naar billijkheid’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van rechtvaardig
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rechtvaardiger | vergrotende trap | rechtvaardig |
| rechtvaardigere | verbogen vergrotende trap | rechtvaardig |
| rechtvaardigers | partitieve vergrotende trap | rechtvaardig |
| rechtvaardigs | partitive, positive | rechtvaardig |
| rechtvaardigst | uninflected, superlative | rechtvaardig |
| rechtvaardigste | inflected, superlative | rechtvaardig |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rechtvaardig zijn vastgelegd.