rally
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een snelheidsrace over tijdelijk afgesloten, maar normaal gesproken openbare wegen waarbij het o.a. gaat om snelheid
- reünie
- een reeks van slagen zonder punt in het tennis
- snel oplopen van de beurskoersen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rally's | meervoud |
| rally'tje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rally'tjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rallyen
- gebiedende wijs van rallyen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rallyen
Vervoeging van rally
rallyhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘sterrit’ voor het eerst aangetroffen in 1940
Woordfamilie van rally
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rally's | meervoud | rally |
| rally'tje | verkleinwoord | rally |
| rally'tjes | verkleinwoord meervoud | rally |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rally zijn vastgelegd.