raddraaier
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die dingen doet die bij de wet verboden zijn
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| raddraaiers | meervoud |
| raddraaiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| raddraaiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘aanstoker’ voor het eerst aangetroffen in 1830
Woordfamilie van raddraaier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| raddraaiers | meervoud | raddraaier |
| raddraaiertje | verkleinwoord | raddraaier |
| raddraaiertjes | verkleinwoord meervoud | raddraaier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van raddraaier zijn vastgelegd.