purgeren
werkwoordBetekenis
- laxeren, afdrijven
Vervoeging van purgeren
purgerenhele werkwoord — purgeerdeverleden tijd enkelvoud — purgeerdenverleden tijd meervoud — gepurgeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | purgeer | purgeerde |
| jij | purgeert | purgeerde |
| hij, zij, het | purgeert | purgeerde |
| wij | purgeren | purgeerden |
| jullie | purgeren | purgeerden |
| zij | purgeren | purgeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepurgeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepurgeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepurgeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepurgeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepurgeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepurgeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepurgeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepurgeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepurgeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepurgeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepurgeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepurgeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepurgeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepurgeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| purgeer | gebiedende wijs |
| purgeerde | verleden tijd |
| purgere | aanvoegende wijs |
| purgerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepurgeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te purgeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen purgeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepurgeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen purgeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepurgeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult purgeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘het lichaam zuiveren’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Woordfamilie van purgeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepurgeerd | voltooid deelwoord | purgeren |
| gepurgeerde | woordvorm | purgeren |
| purgeer | gebiedende wijs | purgeren |
| purgeerde | verleden tijd | purgeren |
| purgeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | purgeren |
| purgeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | purgeren |
| purgere | aanvoegende wijs | purgeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van purgeren zijn vastgelegd.