Naar de inhoud

pruttelen

op een laag pitje koken

pruttelen

werkwoord prʏtələ(n)

Betekenis

  1. op een laag pitje koken
  2. geluidjes maken met name binnensmonds mopperen of mompelen (morren)

Hoe spreek je pruttelen uit?

/prʏtələn/

Pruttelen bestaat uit drie lettergrepen.

De tekens in /prʏtələn/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
r rood
ʏ put
t tak
ə de
l land
n nek

Vervoeging van pruttelen

pruttelenhele werkwoord — prutteldeverleden tijd enkelvoud — prutteldenverleden tijd meervoud — geprutteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pruttel pruttelde
jij pruttelt pruttelde
hij, zij, het pruttelt pruttelde
wij pruttelen pruttelden
jullie pruttelen pruttelden
zij pruttelen pruttelden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geprutteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geprutteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geprutteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geprutteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geprutteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geprutteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geprutteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geprutteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geprutteld verleden tijd, deelwoord
geprutteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geprutteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geprutteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geprutteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geprutteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geprutteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geprutteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geprutteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geprutteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprutteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geprutteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pruttel gebiedende wijs
pruttelde verleden tijd
pruttele aanvoegende wijs
pruttelend onvoltooid, deelwoord
te hebben geprutteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pruttelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pruttelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geprutteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pruttelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geprutteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pruttelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘geluidjes maken’ voor het eerst aangetroffen in 1649

Woordfamilie van pruttelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geprutteld voltooid deelwoord pruttelen
gepruttelde woordvorm pruttelen
pruttel gebiedende wijs pruttelen
pruttelde verleden tijd pruttelen
pruttelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pruttelen
pruttele aanvoegende wijs pruttelen
pruttelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pruttelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pruttelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over pruttelen

Hoe spreek ik pruttelen uit?
Zo spreek je pruttelen uit: /prʏtələ(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van pruttelen?
Pruttelen is een werkwoord. De betekenis is: op een laag pitje koken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik pruttelen?
Zo vervoeg je pruttelen zo: de tegenwoordige tijd is pruttel, de verleden tijd is pruttelde en het voltooid deelwoord is geprutteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pruttelen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. R 2
  3. U 4
  4. T 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pruttelen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. R 2
  3. U 2
  4. T 2
  5. T 2
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pruttelen in het kort

pruttelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van pruttelen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pruttelen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pruttelen: op een laag pitje koken
Deel pruttelen — standaardnederlands.nl