procureur
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die de gedingvoerende partijen in een civiel rechtsgeding vertegenwoordigt zonder als raadsman op te treden
- fijne gerookte ham van de hals/het schouderstuk van de varkensrib zonder been
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| procureurs | meervoud |
| procureurtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| procureurtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gerechtelijk vertegenwoordiger’ voor het eerst aangetroffen in 1520
Woordfamilie van procureur
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| procureurs | meervoud | procureur |
| procureurtje | verkleinwoord | procureur |
| procureurtjes | verkleinwoord meervoud | procureur |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van procureur zijn vastgelegd.