priester
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die de religieuze (offer) rituelen verzorgt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| priesters | meervoud |
| priestertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| priestertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geestelijke’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van priester
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| priesters | meervoud | priester |
| priestertje | verkleinwoord | priester |
| priestertjes | verkleinwoord meervoud | priester |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van priester zijn vastgelegd.