pracht
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- versiering met als doel indruk te wekken
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prachen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prachen
- gebiedende wijs meervoud van prachen
Vervoeging van pracht
prachthele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘praal’ voor het eerst aangetroffen in 1569