polder
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈpɔldəʀ/Betekenis
- een bedijkt stuk land waarin de waterstand kunstmatig geregeld wordt
Hoe spreek je polder uit?
/ˈpɔldəʀ/
Polder bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| l | land |
| d | dak |
| ə | de |
| ʀ | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| polders | meervoud |
| poldertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| poldertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
- gebiedende wijs van polderen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van polderen
Vervoeging van polder
polderhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bemalen land’ voor het eerst aangetroffen in 1130
Woordfamilie van polder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| polders | meervoud | polder |
| poldertje | verkleinwoord | polder |
| poldertjes | verkleinwoord meervoud | polder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van polder zijn vastgelegd.