pinksterdag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een van de twee dagen van het pinksterfeest, pinksterzondag of pinkstermaandag
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pinksterdagen | meervoud |
| pinksterdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pinksterdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van pinkster zn en dag zn
Woordfamilie van pinksterdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pinksterdagen | meervoud | pinksterdag |
| pinksterdagje | verkleinwoord | pinksterdag |
| pinksterdagjes | verkleinwoord meervoud | pinksterdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pinksterdag zijn vastgelegd.