kerstdag
zelfstandig naamwoord ˈkɛrsdɑxBetekenis
- 25 december, de dag waarop de christenen Christus' geboorte feestelijk herdenken.
- één van de kerstfeestdagen.
Hoe spreek je kerstdag uit?
/ˈkɛrsdɑx/
Kerstdag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| s | sok |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- 25 december, de dag waarop de christenen Christus' geboorte feestelijk herdenken
- elk van de dagen waarop het kerstfeest gevierd wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kerstdagen | meervoud |
| kerstdagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kerstdagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van kerst en dag
Woordfamilie van kerstdag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kerstdagen | meervoud | kerstdag |
| kerstdagje | verkleinwoord | kerstdag |
| kerstdagjes | verkleinwoord meervoud | kerstdag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kerstdag zijn vastgelegd.