pikkel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- mengsel van zuur en zout voor het pikkelen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pikkels | meervoud |
| pikkeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pikkeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikkelen
- gebiedende wijs van pikkelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pikkelen
Vervoeging van pikkel
pikkelhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels (pickle) , in de betekenis van ‘mengsel van zuur en zout’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1961
Woordfamilie van pikkel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pikkels | meervoud | pikkel |
| pikkeltje | verkleinwoord | pikkel |
| pikkeltjes | verkleinwoord meervoud | pikkel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pikkel zijn vastgelegd.