piercing
zelfstandig naamwoordBetekenis
- het doorboren van bepaalde lichaamsdelen (bijv. de oorlellen, neusvleugels, tepels of tong) om een — meestal metalen — sieraad te laten zetten
- het ringetje, staafje enz. dat in de onder 1 genoemde doorboring wordt geplaatst
zelfstandig naamwoord — masculine
- het ringetje, staafje enz. dat in de onder [1] genoemde doorboring wordt geplaatst
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| piercings | meervoud |
| piercinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| piercinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘(het aanbrengen van een) ringetje door een lichaamsdeel’ voor het eerst aangetroffen in 1983
Woordfamilie van piercing
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| piercings | meervoud | piercing |
| piercinkje | verkleinwoord | piercing |
| piercinkjes | verkleinwoord meervoud | piercing |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piercing zijn vastgelegd.