penitentie
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een boetedoening in de vorm van gebeden of goede werken, die na de belijdenis en absolutie van de zonden in de biecht door de priester aan de biechteling wordt opgelegd
- het doen van boete voor gepleegde morele overtredingen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| penitenties | meervoud |
| penitentietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| penitentietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘boete’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van penitentie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| penitenties | meervoud | penitentie |
| penitentietje | verkleinwoord | penitentie |
| penitentietjes | verkleinwoord meervoud | penitentie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van penitentie zijn vastgelegd.