passiebloem
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een geslacht van meest overblijvende en meestal klimmende planten met ranken in de familie Passifloraceae
zelfstandig naamwoord
- benaming voor planten uit het geslacht Passiflora met meest overblijvende en meestal klimmende planten met ranken in de familie Passifloraceae
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| passiebloemen | meervoud |
| passiebloemetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| passiebloemetjes | verkleinwoord, meervoud |
| passiebloempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| passiebloempjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van passie zn en bloem , in de betekenis van ‘plantengeslacht’ aangetroffen vanaf 1668
Woordfamilie van passiebloem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| passiebloemen | meervoud | passiebloem |
| passiebloemetje | verkleinwoord | passiebloem |
| passiebloempje | verkleinwoord | passiebloem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passiebloem zijn vastgelegd.