passe-partout
zelfstandig naamwoord pɑspɑrˈtuBetekenis
- een lijst om een foto of plaat
- een sleutel die op alle sloten past
- een toegangskaart die toegang geeft tot alle voorstellingen van een bepaalde serie
- sleutel die op verschillende sloten past, zodat je bijvoorbeeld met dezelfde sleutel zowel een gemeenschappelijke voordeur als de deur van het eigen appartement kan openen
- vlakke, losse sierrand of kader van om een afbeelding beter tot haar recht te laten komen
- grote zaag waarmee twee mannen een boomstam kunnen doorzagen
Hoe spreek je passe-partout uit?
/pɑspɑrˈtu/
Passe-partout bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| r | rood |
| t | tak |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| passe-partoutje | verkleinwoord, enkelvoud |
| passe-partoutjes | verkleinwoord, meervoud |
| passe-partouts | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kartonnen raampje of rand’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824
Woordfamilie van passe-partout
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| passe-partoutje | verkleinwoord | passe-partout |
| passe-partoutjes | verkleinwoord meervoud | passe-partout |
| passe-partouts | meervoud | passe-partout |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passe-partout zijn vastgelegd.