papaja
zelfstandig naamwoord paˈpajaBetekenis
- bepaalde meloenachtige tropische vrucht
- meloenboom
Hoe spreek je papaja uit?
/paˈpaja/
Papaja bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| j | ja |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- Carica papaya een plant uit de familie Caricaceae. De plant is verwant aan de bergpapaja (Vasconcellea cundinamarcensis, synoniem: Carica pubescens)
- vrucht van Carica papaya
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| papaja's | meervoud |
| papajaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| papajaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘vrucht’ voor het eerst aangetroffen in 1596
Woordfamilie van papaja
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| papaja's | meervoud | papaja |
| papajaatje | verkleinwoord | papaja |
| papajaatjes | verkleinwoord meervoud | papaja |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van papaja zijn vastgelegd.