panna
zelfstandig naamwoord ˈpɑnaBetekenis
- de bal tussen de benen van de verdedigende tegenstander heen spelen
- juffrouw; jonge, gewoonlijk ongehuwde, vrouw
- maagd; iemand die nog nooit geslachtsgemeenschap gehad heeft, specifiek jonge vrouwen
- pop; nagemaakte mens, meest als speeltuig
- kop; opzijde van geldstuk
- mannequin, etalagepop
- panenka
- hlava
- panic
- paňáca, panďulák, panák
- orel
Hoe spreek je panna uit?
/ˈpɑna/
Panna bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| panna's | meervoud |
Herkomst
ontleend aan het Surinaams
Woordfamilie van panna
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| panna's | meervoud | panna |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van panna zijn vastgelegd.