pandoer
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- kaartspel met 48 kaarten voor 2 keer 2 spelers
- militair van een tegen Turkse opstandelingen geformeerd grenskorps
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pandoeren
- gebiedende wijs van pandoeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pandoeren
Vervoeging van pandoer
pandoerhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1873
Woordfamilie van pandoer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pandoers | meervoud | pandoer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pandoer zijn vastgelegd.