overweg
zelfstandig naamwoord, bijwoord /'ovərʋɛx/Betekenis
- een kruising van een weg met een spoorbaan.
- ~ kunnen met: goed kunnen opschieten met iemand.
Hoe spreek je overweg uit?
/ˈovərwɛx/
Overweg bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overwegen | enkelvoud |
| overweggetje | verkleinwoord |
| overweggetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| overwegje | verkleinwoord |
| overwegjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (bijwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] overwég | canonical |
Woordfamilie van overweg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overweggetje | verkleinwoord | overweg |
| overweggetjes | verkleinwoord | overweg |
| overwegje | verkleinwoord | overweg |
| overwegjes | verkleinwoord | overweg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overweg zijn vastgelegd.